Zijn moeder belde me op. De dag ervoor had ik haar zoon van 17 gesproken over zijn dwanggedachten. Ze wilde zeggen dat hij zich zo begrepen had gevoeld. “Volgens mij heeft die man het zelf ook”, had hij gezegd. “Anders kan hij nooit zo precies weten wat ik voel.”

Jaren eerder kwam een patiënte met een heel andere veronderstelling. Een jonge vrouw, die voortdurend piekerde. “Ik wou dat ik psychiater was”, zei ze. “Het lijkt me zo heerlijk om altijd gelukkig te zijn.” Ik heb haar maar niet verteld dat artsen juist vaker depressief zijn, vaker verslaafd en zich vaker van het leven beroven dan gemiddeld.

Gedeelde smart?

In contacten met patiënten probeer ik als hulpverlener toch ook mezelf te zijn. Soms kan open zijn over eigen ervaringen daar goed in passen. Maar ook als het eigen problemen betreft? Als je uit eigen ervaring precies weet waar de ander mee worstelt? Moet je dat als hulpverlener dan ook zeggen? Gedeelde smart is halve smart, maar smart deel je met lotgenoten. Kan een hulpverlener tegelijk een lotgenoot zijn?

Dat is ingewikkeld. Een aannemer in een bouwval, een gescheiden relatietherapeut en een hulpverlener in de lappenmand. Het wringt toch een beetje. Een huisarts met suikerziekte kan dan weer wel.

Ik ben er groot voorstander van dat hulpverleners in de (geestelijke) gezondheidszorg open zijn over hun eigen psychische problematiek. Dat ze laten zien dat je je voor psychische aandoeningen niet hoeft te schamen. Als wij daarover al niet open durven zijn, van wie kunnen we dat dan wel verwachten? Maar open zijn in het algemeen, is nog weer wat anders dan open zijn in een hulpverleningsrelatie.

En ‘die man’?

En hoe zit dat dan nu met mij? Heeft ‘die man’ het zelf ook?
Ja, ik heb een dwangstoornis. Het voelt kwetsbaar om dat publiekelijk te zeggen, maar ik schaam me er niet meer voor. Door die aandoening voel, doe en denk ik vaak vreemde dingen, maar dat staat los van mijn waarde als persoon. Ik heb daarbij nog geluk. Mijn maatschappelijke functioneren wordt er niet door verstoord. Dat is niet mijn verdienste, maar dat is geluk. En als professional zit ik dicht bij het vuur. Ik weet wat er aan de hand is en wat de beste behandeling is.

Ik heb in het directe contact met een patiënt nog nooit over mijn eigen dwangstoornis gesproken. Meestal leek het me niet nuttig of nodig, maar misschien was ik ook gewoon nog niet zover. Nu ben ik echter publiek actief om meer bekendheid te geven aan de dwangstoornis. Ik verkondig onder meer dat je je er niet voor hoeft te schamen. In dat verband wil ik mijn eigen dwangstoornis niet verzwijgen.

Gelukkig

En hoe zit het met dat psychiaters altijd gelukkig zijn? Nou, nee dus. Ook psychiaters kunnen door een psychische aandoening worden getroffen.
Mijn dwangstoornis is vaak kwellend voor me. Het heeft veel vergald, maar het bederft mijn leven niet. Dat komt ook omdat er een ontwikkeling ten goede is. Zolang die er is, kan een mens veel verdragen, ook al is het een hardnekkig probleem. Dat laatste is bij de dwangstoornis nogal eens het geval. Het gaat niet vaak vanzelf over. Dwang is te behandelen, dus verbetering is vaak mogelijk, maar meestal heb je daar hulp bij nodig. Dát wil ik iedereen met dwangproblemen op het hart drukken. Zoek hulp!

Dus, mijn patiënt had gelijk. Ik heb het ook. Al veertig jaar, maar het is veel beter dan het was. Altijd gelukkig? Vaak genoeg.

Photo credit: Werkschrift “Ambachten” van Lasse Oosterhoff

Gepubliceerd op Medisch Contact op 23 september 2014.