Mooie scène in het programma ”Levenslang met dwang”.
Kai, één van de deelnemers worstelt met zijn probleem. Groente moet op precies de juiste manier gesneden worden. Omdat dat nooit helemaal lukt, gooit hij alles steeds weg. Je ziet hem bij het snijden van een komkommer er binnen tien seconden al in vastlopen.

Michael, een andere deelnemer zegt later: “Tja, je denkt: wat maakt zo’n komkommer nou uit?” “Maar,” voegt hij eraan toe, “dat kan hij natuurlijk óók zeggen van mijn zwembadangst.”

Hoewel Michael zelf heel goed de onredelijke onrust kent van de dwangstoornis, komt toch de gedachte bij hem op: wat maakt het nou uit, als die komkommer niet helemaal perfect gesneden is. Hij beseft wel, dat dat voor zijn eigen probleem net zo goed geldt.

Zelfs tussen mensen met een dwangstoornis onderling, is maar moeilijk te begrijpen waarom een bepaalde aanleiding bij de ander zoveel onrust geeft. Maar de onrust is dan misschien niet te snappen. Hij is er wel degelijk!

Niet te verdragen onrust

Als het televisieprogramma nou iets laat zien, dan is het wel hoeveel mensen met OCD doen of laten om die onrust te voorkomen of kwijt te raken. Het is niet te verdragen. Je ziet dat het voor Marieke, een deelneemster met symmetrie-dwang niet te harden is als ze alleen rechts is aangeraakt. Echt niet uit te staan.

Het is ontzettend moeilijk voor te stellen, dat er zoveel afhangt van een schouderbandje wat goed zit (Kimberley), van een glas water wat je hebt gedronken (Lisette), of van het precies recht liggen van een afstandsbediening (Martine).
Maar dat de deelnemers het er zwaar mee hebben als ze het niet in orde is, is overduidelijk. Dat geldt ook voor de indringende gedachten waar Michiel door wordt gekweld.

Psychische problematiek is sowieso moeilijk voor te stellen, als je het geluk hebt er zelf niet door getroffen te zijn.
We kunnen de beperking niet zien, zoals bij een gebroken been. Dan denken we te gemakkelijk, dat je je er toch wel overheen zou moeten kunnen zetten.
Dat geldt voor psychische problematiek in het algemeen, maar dat geldt zeker voor dwang. Ook als je het zelf hebt, is vaak zo slecht te begrijpen waarom je gevoel van rust nu afhangt van dit soort, vaak onzinnige of in elk geval ernstig overtrokken zaken. “Je weet dat het zware onzin is”, zegt Kai.

Nergens voor nodig

Egodystoon wordt dat genoemd. Het besef dat het nergens voor nodig is. Ten onrechte wordt vaak aangenomen dat dit altijd een duidelijk kenmerk is bij de dwangstoornis. Maar dat hangt helemaal af van de ernst van de onrust en van de mate waarin je erin slaagt helder te blijven denken.

Als onrust te groot is, wordt het denken vertroebeld. Dat geldt voor iedereen. Als we echt bang zijn, gaan we spoken zien. Op een donkere nacht in een verlaten bos halen we ons ook van alles in het hoofd. Want we staan helemaal op scherp.
Ook als de onrust niet angstig gekleurd is maar meer onbestemd, vergelijkbaar met jeuk, kun je er “gek” van worden. “Gek” worden als iets niet symmetrisch is of scheef ligt of een verkeerd getal heeft.

Omdat we nu beter doorhebben dat het lang niet altijd lukt het hoofd koel te houden, is het geen vereiste meer voor de diagnose dat je (ten volle) beseft dat het nergens voor nodig of overdreven is (egodystoon). We geven nu bij de diagnose dwangstoornis apart aan of er wel of geen realiteitsbesef (over) is.

Gevoel uit, verstand aan

Vaak is er overigens, ook bij ernstige OCD, wél een helder besef dat het feitelijk nergens voor nodig is. Maar dat heldere inzicht staat toch machteloos tegenover de gevoelde onrust. Die machteloosheid is pijnlijk. Mensen snappen het zelf ook niet en schamen zich ervoor. Ze proberen hun dwanghandelingen en dwanggedachten dan ook vaak te verbergen.

Ik leg aan patiënten (en als het kinderen betreft ook aan hun ouders) altijd uit, dat ze wel weten met hun hoofd dat het onzin is, maar niet met hun hart. Een patiënte, die ten onrechte vreselijk bang was dat zij haar ogen beschadigd had door te lang in de zon te kijken, zei na deze uitleg: “Oké, dus gevoel uit en verstand aan.”

Twijfel is altijd mogelijk

Het is belangrijk om dit verschil tussen weten en beleven goed te begrijpen. Ook voor de behandeling is dat van belang. Feitelijke zekerheid alleen is onvoldoende om je rustig te voelen. Er blijft altijd wel iets over waaraan je kunt twijfelen.

Kijk maar eens naar iemand met dwang die controleert of de deur dichtzit. Hij trekt eraan. Potdicht. Geen twijfel mogelijk, zou je denken. Maar tóch moet hij nog een keer trekken en soms nog vele keren. Maar de ellende met dwang is ook nog eens, dat je van meer controle beter wordt in twijfelen.
Dus de volgende keer ga je twijfelen aan wat je gevoeld hebt toen je voor de tweede keer voelde dat de deur dicht zat. Je wordt door controleren slechter in vertrouwen en de boel een beetje op zijn beloop laten.

En dan draai je steeds verder vast, want naast meer of minder feitelijke zekerheid is er altijd ook vertrouwen nodig. Op één of andere manier voelt iemand met dwang dat vertrouwen niet (meer). Hij is allergisch voor zelfs de kleinste onzekerheid of onvolledigheid.

Zonder vertrouwen gaat het niet

Eén van de grote raadselen bij dwang is dat die allergie vaak tot één thema beperkt is. Domeinspecifiek heet dat.
De één is allergisch voor risico op besmetting, de ander voor indringende gedachten, foute getallen, asymmetrie, onvolmaakt gesneden komkommers, verkeerde kleding of viezigheid van een ander.

De gemeenschappelijke factor is geen vertrouwen voelen dat het in orde is en dus geen rust. En dan blijf je het zoeken in meer zekerheid en meer volledigheid. Maar zoals je van meel alleen geen taart kunt bakken, kun je van zekerheid alleen geen rust krijgen. Er moet een beetje vertrouwen bij. En dat is er nu net niet.
Dus zoek je het in meer zekerheid, perfectie, schoonheid, symmetrie, of waar je dwang ook maar betrekking op mag hebben. Dat helpt niet echt, maar wel even. Maar je blijft bezig. Dat het nergens voor nodig is dat weten mensen met dwang dus vaak ook wel, maar zo voelt het niet.

Weten en voelen

Dat conflict tussen weten en voelen is moeilijk te begrijpen. Maar het tv-programma laat het wel goed zien.

Nou niet denken: Oh, ze moeten dus meer vertrouwen hebben. Neem maar van mij aan dat ze dat zelf ook heel erg graag zouden willen. Maar dat vertrouwen moet je nu net dáár zoeken waar je het liefste van weg wilt. Je moet tegen je gevoel in gaan en de onrust uitstaan. Want alleen door het verdragen daarvan, kan de overgevoeligheid weer afnemen. Net als doorkomen met zwemmen in heel koud water maar dan veel moeilijker. Het is vaak een zware weg. Een hele zure appel om doorheen te bijten.

Hopelijk maakt het programma aan mensen die het geluk hebben geen dwangstoornis te hebben dat duidelijk. Dan hoeven mensen met dwang minder vaak te horen: “Waarom stop je er niet mee, als je wel weet dat het onzin is.”

Omdat weten en voelen verschillende dingen zijn. Daarom niet.

Photo credit: Kaz via Pixabay (license)adaptation