Ik heb er last van dat ik dwangmatig controle wil over mijn leven. Ergens ben ik heel erg bang dat dingen mis gaan. Vandaar dat ik bij elk signaal dat iets mis zou kunnen gaan, snel een plan maak wat te doen om die dreiging te voorkomen.

Het signaal kan zijn dat ik ergens pijn voel. Dat leidt tot gepieker over wat ik eraan zou kunnen doen, en het plan om als de pijn blijft, bijvoorbeeld eerst 10 keer naar een fysiotherapeut te gaan en vervolgens nog lessen te nemen bij een andere Tai Chi-leraar.
Het kan ook gebeuren dat ik eigenlijk iets spannend vind of me niet zo lekker voel, en dan maar heel veel plannen achter elkaar maak om het onprettig gevoel niet te hoeven voelen. Die plannen hoeven dan inhoudelijk niets te maken hebben met waar ik op dat moment bang voor ben.

Fantaseren werd piekeren

Vroeger als kind en jongvolwassene was ik heel veel aan het fantaseren over de toekomst. Over hoe ik de wereld zou leiden, of een land, of een bedrijf. Ik kan me nog herinneren dat ik als twintiger niet in staat was om 10 minuten over straat te lopen zonder te fantaseren. Dat fantaseren is nu verdwenen; daarvoor in de plaats is het bedenken van plannen voor situaties in de toekomst gekomen. Ik heb me werkelijk kapot gepiekerd. Over of ik naar een andere stad wilde verhuizen. Of ik het uit moest maken met een verkering. Welke therapie ik nog wilde volgen. Enzovoort.

Al dat nadenken over de toekomst haalt me uit het hier en nu en zorgt voor spanning en onrust. Er is sowieso al veel onrust in mijn hoofd doordat mijn gedachten heel snel en associatief gaan. Dit opgeteld bij de onrust door al het piekeren en plannen maken, zorgt ervoor dat zich gedurende dag heel wat spanning kan ophopen.
Deze psychische spanning en onrust zetten zich vast in mijn lichaam. Hierdoor heb ik veel klachten gekregen aan mijn bewegingsapparaat, zoals RSI-verschijnselen bij computeren en last in mijn benen tijdens lopen. Ook heb ik er slaapproblemen door gekregen. Die lichamelijke klachten zijn een eigen leven gaan leiden en hebben soms niet eens meer een directe relatie met de spanning.

Al het piekeren en gevolgen daarvan hebben invloed gehad op o.a. mijn werk en studie. Mijn studie psychologie heb ik na enkele omwegen uiteindelijk in 10 jaar weten af te ronden. Op dit moment werk ik zestien uur per week bij het UWV, waar ik trainingen geef aan jongeren met een Wajong-uitkering. Elke nacht voor een training heb ik nog spanning en onrust of ik wel goed zal slapen en slaap ik als gevolg daarvan juist minder goed. Door RSI-klachten aan mijn armen en schouders kan ik alleen door middel van spraakherkenningsoftware met de computer werken en ook dan nog maar maximaal twee uur per dag.

Hier en nu

Het goede nieuws is dat het me steeds beter lukt om in het hier en nu te blijven en minder in de toekomst te leven. Ik probeer de spanning voor lief te nemen en hoop dat de angst een keer zal overgaan. Mijn neiging om te twijfelen en te piekeren is gelukkig minder geworden in de loop der jaren, maar zeker nog niet afwezig. Het gebeurt nog enkele honderden malen per dag dat ik toch weer plannen aan het bedenken ben.

De medicijnen die ik heb geprobeerd, hebben niet geleid tot een sterke vermindering van het dwangmatige denken. Ze zorgden er wel voor dat ik me wat vrolijker en wat minder gespannen voelde. Nadeel was dat ik er slechter door sliep. Het medicijn waar ik nu enigszins vrede mee heb, zorgt er voornamelijk voor dat ik beter slaap; dat is voor mij een heel belangrijk iets.

Naast in totaal negen jaar psychotherapie, waarvan drie jaar twee keer per week, helpt mij vooral: meditatie, zelfonderzoek in de vorm van het schrijven van een blog en Tai Chi. Ik volg twee avonden per week lessen in Tai Chi; de andere dagen doe ik ‘s ochtends zelf wat oefeningen. Ook mediteer ik dagelijks 45 minuten. Dit helpt mij om rust in mijn hoofd te krijgen en me lichamelijk te ontspannen.

Een valkuil voor mij is dat ik teveel bezig ben met mijn gezondheid en beter worden. Het werken aan mijn gezondheid heeft echter ook positieve gevolgen gehad: het gaat steeds een stukje beter met me. Ik vind het ook leuk om aan mezelf te werken en bezig te zijn met het oefenen van meditatie en Tai Chi. Het lukt me goed om deze dingen niet dwangmatig te gaan doen.

Belangrijk om te onthouden is dat ik goed ben zoals ik ben en niet hoef te veranderen. En dat ik, tussen alle plannen door, niet moet vergeten te leven.

Photo credit: Where? via photopin (license)adaptation

Reactie Menno Oosterhoff
De mens lijdt het meest door het lijden wat hij vreest en wat nooit op komt dagen.
Dat geldt zeker ook voor mensen met een dwangstoornis of een gegeneraliseerde angststoornis.
Daarbij gaat het vaak over een dreiging, iets wat mis zou kunnen gaan. Ik noem dwang wel eens een pretraumatische stressstoornis. Spanning en onrust over iets wat zou kunnen gebeuren.

Mensen met een dwangstoornis hebben vaak een probleem in het vinden van de natuurlijke verhouding tot de onvolkomenheid die hoort bij het bestaan. Dat is een hele mond vol. Wat ik ermee bedoel , is dat er nooit volledige zekerheid, schoonheid, ordelijkheid, morele juistheid en dergelijke is. Voor de meeste mensen is dat geen probleem. Maar mensen met een dwangstoornis beleven het kleine restje onvolledigheid als een groot probleem. Ze beleven een mug als een olifant.

Ik bedoel dat niet oordelend. Dat heb je zelf niet zo in de hand. Je moet dus meer dan een ander oefenen om te vertrouwen, dat het wel goed komt en dat als het niet goed komt je er niks aan hebt om je daar vooraf steeds zorgen over te maken.
Maak u geen zorgen over de dag van morgen.

Allemaal niet makkelijk gedaan, maar wel de richting waarin je het moet zoeken. Want van meer controle, orde, etc. wordt het niet beter.

Dat is wat de schrijver in dit blog goed beschrijft. En ook hoe hij er langzaamaan beter mee leert omgaan.