In mijn vorige blogs schreef ik dat ik vanaf mijn kleutertijd last heb van dwangklachten en dat er destijds geen hulp is gezocht om mij daarbij te helpen. Er is ook geen hulp gezocht voor de onderliggende problematiek: een onveilige thuissituatie.

Mijn ouders hadden sinds ik mij kan herinneren ontzettend veel ruzie. En dan heb ik het niet over onderling gekissebis maar over intense, heftige ruzies die gepaard gingen met veel drank en gooi- en smijtwerk.

Elke avond wachtte ik in mijn bedje tot het zou beginnen. Ik vocht tegen de slaap. Ik deed alles om wakker te blijven. Ik las stiekem onder de dekens, vertelde mezelf verhalen, zong zachtjes liedjes, luisterde of ik beneden iets hoorde, maakte vuisten van mijn handen. Ik wilde erbij zijn, vanaf het eerste moment. Elke keer weer.
Niet omdat ik geen seconde wilde missen. Maar alles, álles liever dan uit je slaap geschreeuwd te worden, want dan kwam de angst in één keer, viel over je heen en dan was ontsnappen niet meer mogelijk. Dan werd het doodsangst. Nu, met het wachten, bouwde de angst zich op; had het zelfs iets troostends dat je wist wat er kwam.

Een orkaan aan meningen

Mijn vader was predikant van de Nederlands Hervormde Kerk en bleek homoseksueel. Dat was begin jaren tachtig ondenkbaar. De landelijke (christelijke) dagbladen stonden er vol van. Ingezonden brieven werden gepubliceerd; ons gezin stond ineens in het oog van een orkaan. Tot de dag dat dit bekend werd, raasde de orkaan slechts door ons huis maar nu waren wij ook overgeleverd aan krachten van buitenaf waar we geen invloed op hadden.

Kopje onder

Uiteindelijk scheidden mijn ouders toen ik negen jaar was. Op de dag dat mijn ouders vertelden dat ze uit elkaar gingen, sloeg de dwang zo hevig toe dat ik mezelf er volledig in verloor. Golven van opgebouwde angst sloegen over mij heen. Ik kon nauwelijks proestend en naar adem happend boven komen of daar kwam de volgende angstgolf, die ik alleen maar kon beheersen door het doen van vele dwanghandelingen. Ik werd daar volledig door in beslag genomen. Het begon bij het opstaan en stopte pas als ik sliep.

Voor het slapen deed ik eindeloos aan dwangbidden. Elke avond moest ik precies hetzelfde gebed in dezelfde volgorde bidden. Ik bad voor alles en iedereen die ik maar kon bedenken. Ging het ergens mis, dan moest het helemaal opnieuw. Als ik het niet zo deed, was het mijn schuld als iemand in mijn directe omgeving iets ergs overkwam. Als ik het gebed in één keer goed deed, was ik 20 minuten bezig maar het lukte nooit in één keer.

Boven water

Het was een paar jaar na de scheiding, in een nieuw huis, dat ik bij mijn moeder in de keuken ging staan en mijzelf helemaal verlamd voelde. Ik kon niet meer. Omdat ik nergens anders meer aan toe kwam dan aan dwangen, vroeg ik aan mijn moeder of er een cursus was waar je beter kon leren dwangen.
Het gekke was dat ik dacht dat iederéén dwangde. Ik geloofde heilig dat dat bij het leven hoorde. Ik dacht dat ik het niet goed deed en er daarom zoveel tijd mee kwijt was dat ik geen tijd had voor andere dingen als spelen en huiswerk.

Ik was twaalf en zat voor de eerste keer van mijn leven tegenover een psychiater. Dat was het begin van een lange, lange zoektocht naar hulp en verlossing.

Photo credit: marijeberting via Pixabay (license) – adaptation