Voor mij en iedere mededwanger is het van (levens)belang om uit te komen voor je dwang. Daarom wil ik het in deze blog hebben over dat moment van uit de kast komen, met de billen bloot, voor de dag ermee of hoe je het maar noemt. Dat maakt niet uit. Als je het maar doet.

Waarom?

Omdat dat het begin is van je gehele of gedeeltelijke genezing van je dwang. Omdat je dan niet meer alleen staat in je dagelijkse strijd. En dat mag je jezelf gunnen want daardoor word je leven leefbaarder.

Smetvrees, dat heb ik momenteel. In de loop van mijn leven heb ik al veel verschillende vormen van OCD gehad. Als ik het ene getemd had, kwam het andere op. De uren die mijn dwang me al extra heeft gekost, zou ik graag uitbetaald krijgen. Ik ben de vijftig gepasseerd en dwang al sinds mijn dertiende. Tel uit je winst!

Hoe lang het duurde?

Voordat ik uit durfde te komen voor mijn dwang? Veertig jaar en dat zijn er veertig teveel. Als je ervan uitgaat dat een mens één keer leeft, is dat minstens de helft van mijn leven. En dan moet ik vanaf nú ophouden met dwangen. En dat heb ik al duizend-en-één keer geprobeerd.

Ik voelde me heel kwetsbaar, bang en vreselijk verlegen toen ik naar mijn huisarts ging en voor het eerst over mijn OCD vertelde. Zo kwetsbaar had ik mij nog nooit gevoeld. Ik vertelde mompelend dat ik wel erg veel mijn handen waste. Dat ik dwang had. Dat ik daarmee niet stoppen kon. Dat ik mij schaamde. Dat ik somber en depressief was. Dat ik de vogels niet meer hoorde fluiten. Dat ik niet meer kon lachen om mijn hond. En al het andere, wat ik hem niet kon vertellen.

Krimpen

Al pratend voelde ik me steeds meer krimpen. Mijn huisarts zat nog steeds aan de andere kant van het bureau. Hij is een man van mijn eigen leeftijd, intelligent, aantrekkelijk. Hoe diep kan een mens zinken, vroeg ik mij af.
Ik durfde mijn huisarts niet aan te kijken toen ik het vertelde. Af en toe, in de beweging van mijn hoofd, keek ik hoeveel verbijstering er op zijn gezicht te lezen stond. Maar dat zag ik niet en hij nam het gesprek over toen ik een tijdje stil viel.

“Wat wil je dat ik voor je doe?” Ik zei niks. Hij liet niet los. En ik ging niet weg. De eerste stap op deze smalle en wiebelende loopplank had ik gezet. Ik vertelde hem dat ik lid geworden was van de Angst, Dwang en Fobiestichting en dat zij me in contact hadden gebracht met een ervaren, goede gedragstherapeut. Daar wilde ik een verwijzing voor.

“Moet ik mij zorgen maken over jouw huidige depressie?” vroeg hij. Wat voor zorgen? Hij bedoelde of ik voor de trein ging springen of van een hoog gebouw of in mijn geval als verpleegkundige makkelijker: de opiatenkast plunderen van het ziekenhuis waar ik werk, om dan in één keer van alle dwang en depressie verlost te zijn?

Zinken of zwemmen

Ik beloofde hem dat ik het allemaal niet zou doen en vroeg me ondertussen af of deze belofte mensen enigszins van een poging afhoudt. Hij zal er wel verstand van hebben dacht ik. Daarbij, hij kan toch moeilijk al zijn depressieve patienten aan de hand nemen. Mee de Albert Heijn in, mee op visite, mee in bed.

Ik kreeg een verwijzing voor de gedragstherapeut maar tot mijn grote schrik ook een voor een psychiater. Mijn huisarts legde me uit dat hij zich niet bekwaam genoeg achtte om de anti-depressiva aan te passen in relatie tot de OCD. Ik begreep het. Maar naar een psychiater? Ik voelde mij nog dieper weg zinken.

En toen zat ik een maand geleden voor het eerst in mijn leven tegenover een psychiater. Van mijn eigen leeftijd, intelligent, aantrekkelijk. En weer vertelde ik over mijn grootste schaamte van de afgelopen 40 jaar. Over mijn vormen van OCD. Over mijn wanhoop en depressie. En weer voelde ik mij kwetsbaar en vroeg ik mij af: hoe diep kan een mens eigenlijk zinken?
Maar ik merkte dat de diepe put een bodem had. Een bodem van waaruit ik de weg omhoog kon beginnen. Daar had ik wel hulp bij nodig en ik was blij dat ik die stap genomen had. Mijn eerste stap omhoog.

Photo credit: Brett Jordan via photopin ccadaptation