Voordat ik in 2000 in behandeling ging, was de auto één van mijn grootste dwangobjecten. Van deuren en ramen controleren, tot het checken op oneffenheden in de lak. Maar ook het rijden gaf veel dwang.

Ik weet nog dat ik als kind angstig was in de auto. Als wij als gezin op weg waren naar Zwitserland, vond ik het doodeng als mijn vader een vrachtwagen in moest halen. Mijn moeder wakkerde die angst aan doordat ze regelmatig riep: “Evert pas op!” Waarop mijn vader zei: “Die rotvrachtwagens!” Mijn moeder heeft haar rijbewijs op latere leeftijd gehaald maar was enorm onzeker in de auto. Als zij een keer achter het stuur had gezeten, was ze zo ontzettend trots op zichzelf dat het voor mij een heel bijzondere handeling leek.

Rijles

Toen werd ik 18; het jaar dat ik van mijn ouders rijlessen kreeg maar ook de tijd waarop mijn dwang zich openbaarde. Ik haalde mijn theorie- en praktijkexamen in één keer en binnen een halfjaar had ik mijn rijbewijs op zak. Maar autorijden was vanaf die dag een heel angstige bezigheid en ging gepaard met heel veel dwanghandelingen.

Ik controleerde de verwarming, de blower, de handrem, de versnelling, het licht, de ramen en deuren en of ik goed geparkeerd stond. Alles wat er maar te controleren was, controleerde ik. Eerst twee keer, daarna vier keer vier, 16 keer. Werd ik gestoord, dan moest het opnieuw. Ook de lak van de auto werd dagelijks van een inspectie voorzien. Ik liep rondjes om de auto om te controleren of er geen oneffenheid of deuk in zat. Daarbij telde ik vier keer vier, 16 keer.

Het ging heel ver

Vanaf mijn 28e was de dwang zo erg dat ik mijn vader erbij ging betrekken. Hij moest van mij bijvoorbeeld zowat met zijn neus op de lak kijken als ik een oneffenheid had bedacht: ik moest zeker weten dat er niets zat. Daarna moest hij bevestiging geven als ik hem vroeg of de auto echt niet beschadigd was. Ook die antwoorden moest hij op het laatst 4 keer 4 maal herhalen. Deed hij dat niet, dan raakte ik totaal de weg kwijt van angst. Ik kon mijn auto niet meer zelf wassen: dan was ik uren bezig en kon ik niet meer stoppen met controleren. Mijn vader deed het voor mij, maar moest daarna weer 16 maal bevestigen.

Ik was ook bang om alleen ver te rijden: er kon mij van alles overkomen onderweg. Eigenlijk een heel reële angst, want er kan natuurlijk vanalles gebeuren. Maar bij mij ging het heel ver. Wat als dit, wat als dat? Ik zei een afspraak liever af dan dat ik die angst aanging. Uiteindelijk ging ik het autorijden vermijden.

Tijdens mijn opname is deze vermijding aangepakt. In stapjes leerde ik mijn angst aan te gaan en weer auto te rijden. Ook de dwanghandelingen en het vragen om bevestiging werden in kleine stapjes verminderd. Dat deed ik door het aantal handelingen in kleine stapjes terug te brengen en de tijdsduur te verminderen. Van 16 keer controleren in een uur, naar 15 keer controleren in 50 minuten, naar 2 keer controleren in 5 minuten.

De angst blijven aangaan

De angst en drang tot controleren is er nog steeds, maar in veel mindere mate. Ik weet dat ik de angst moet blijven aangaan en niet moet toegeven aan de controleneiging. Omdat ik weet dat het van kwaad tot erger gaat als ik er aan toe geef, houd ik daar al 16 jaar aan vast.
Er zijn ‘zwakke momenten’. Dan is het controleren of de angst om te rijden er weer. Maar ik kan het opbrengen om het controleren te beperken tot maximaal twee keer.

Vorige week had ik een afspraak op ruim een uur rijden van mijn huis. De dag ervoor was ineens de angst er weer. “Zal ik afzeggen?” Ik besprak het met mijn partner en samen maakten we afspraken. We waren we het erover eens: ik moest de angst aangaan, exposuretherapie toepassen en vooral: wél gaan.

Het blijft voor mij dagelijks werken om de dwang de baas te blijven.