Er wordt veel geschreven en gezegd over medicijnen bij angst, dwang en depressie. Niet altijd positief. Hoewel ieder mens uniek is, net als ieders aandoening en behandeling, wil ik hier graag mijn eigen verhaal delen. Mijn leven is letterlijk gered door goede medicatie.

Hoe het begon

Wanneer het begonnen is, kan ik niet meer terugroepen. Wat ik wel weet, is dat de controledwang langzaam toenam nadat ik op kamers ging wonen. Is het gas uit? Is de deur wel echt dicht?
Eén keer nakijken werd al gauw twee, drie, vier, acht keer. Ook de lijst na te kijken dingen groeide: de föhn, het strijkijzer, de verwarming… alles zou oververhitting of kortsluiting kunnen veroorzaken. Liever zat ik een hele week in de kou dan de gaskachel aan te steken. Want dan zou ik als ik in het weekend weer weg ging, zo lang moeten checken of hij écht uit was.

De angst dat door mijn onverantwoordelijkheid ánderen iets akeligs zou overkomen, werd geleidelijk aan sterker en breder. Ik zag het als een weliswaar hinderlijke, maar toch nog grappige tic van mezelf. Het paste nu eenmaal bij mijn nauwkeurige, verantwoordelijke karakter, vond ik zelf. In mijn werk kwam het ook erg goed van pas. Op mij kon je rekenen om alle fouten eruit te halen, aan alle details te denken en op alle mogelijke (doem)scenario’s voorbereid te zijn. Het kostte me vaak ook heel veel stress, maar dat hoorde nu eenmaal bij het werk, als je het góed wilde doen… dacht ik.

Toen ik trouwde en kinderen kreeg, breidde het scala aan onderwerpen om over te piekeren zich enorm uit. Trakteren op school? Als er maar niemand ziek van werd. Handen vier, vijf keer wassen, schaal zes keer afwassen, nog een keer en nog een keer, en dan voorverpakte koekjes erop.
Helpen op de peuterspeelzaal? Als ik maar niet per ongeluk een fles schoonmaakmiddel aanzag voor de ranja, dus intensief de limonadefles bestuderen, en nog een keer en nog een keer. De lijst was eindeloos.

De keiharde crash

Toen de kinderen wat groter werden, besloot ik professionele hulp te zoeken. Niet eens voor mezelf, maar omdat ik de kinderen niet wilde voorleven dat je angstig in het leven moet staan.
Na overleg met de huisarts verwees hij me naar een psychologe met een cognitieve aanpak. Dat heeft mij toen goed geholpen: na een aantal sessies kon ik mijn angsten beter beheersen.
Medicijnen wilde ik niet. Ik wilde niet ‘kunstmatig gelukkig’ worden. Ik wilde het zélf aankunnen.

Een paar jaar ging dat ook prima. Toen kwam na een tijd van té hard werken de keiharde crash. Op het moment dat ik ‘ja’ zei tegen twee van de drie zware deadlines voelde ik al een duidelijke angst dat het teveel zou worden, maar ik vond dat ik me niet aan moest stellen.
De deadlines haalde ik alledrie vlekkeloos, maar de dag nadat ik het derde project afgerond had, sloeg de totale paniek toe. Ik zag foutjes waarvan ik zeker wist dat ze in een kettingreactie van gevolgen tot rampen zouden leiden. Ik begon te piekeren wat ik er nog aan kon doen (niets), hoe erg het kon worden (rampen met vele doden) en begon maniakaal mijn al ingeleverde werk te controleren. Ook om 3 uur ‘s nachts.

In de loop van twee of drie weken werd het steeds erger. Ik sliep ‘s nachts bijna niet meer, werd in overweldigende angstgolven wakker. Overdag kwam ik met grote moeite mijn bed uit en moest ik elke dag alleen maar zien te overleven. Een inktzwart schuldgevoel vulde mijn hele lichaam.
Uiteindelijk wilde ik alleen nog maar dood. Niet omdat ik het leven niet meer de moeite waard vond. Ik zag namelijk haarscherp hoe mooi het leven was. Maar ik voelde dat ik dat mooie leven niet meer verdiende. Ik had door mijn fouten alle recht daarop verspeeld.

Mijn eigen dwanggedachten redden me van daadwerkelijke suïcide. Ik was zó bang anderen te belasten met zelfmoord en ze te laten zitten met de puinhopen die ik gecreëerd had, dat ik de actieve weg uitsloot. Wel werd het een tweede natuur om te denken aan ‘zogenaamde ongelukken’.
Ik ging naar de huisarts en vertelde hem dat ik ‘toch wel weer veel piekerde’. Hij verwees me weer naar de psycholoog, waar ik helaas nog niet direct terecht kon.
In die tijd bespeurde iemand in mijn omgeving, die zelf ook arts was, dat het hier om méér kon gaan dan alleen ‘erg piekeren’. Op zijn aandringen maakte ik nog een afspraak; hij ging zelf mee om het woord te doen. De huisarts verwees me met spoed door naar een psychiater.

Een hersenfoutje

De psychiater vroeg me naar een paar voorbeelden van fouten waar ik over piekerde. Ik durfde bijna niets te zeggen, zó bang was ik dat ze zou zien dat dit echte, gruwelijke fouten zouden zijn. Uiteindelijk durfde ik een fout te noemen. Het voelde alsof ik in een afgrond sprong.
Heel vriendelijk probeerde de psychiater me uit te leggen dat mijn angsten niet heel erg reëel waren. Voor mij was het het eerste sprankje licht in weken donkere wanhoop. Zou het mogelijk zijn dat ik niet écht iets fout had gedaan?

Toen ze mij uitlegde hoe bij sommige mensen de serotoninespiegel in de hersenen is verstoord en hoe dit tot angsten of depressies kan leiden, begon ik te huilen. Tranen van opluchting, alsof ik vrijspraak kreeg in een lang schuldproces. Al die tijd had ik me zó een intens slecht persoon gevoeld, en nu bleek het misschien alleen maar door een hersenfoutje te komen. Kon het waar zijn?
Ze schreef mij medicatie voor; een serotonine-heropname-remmer. Langzaam, heel langzaam werd ik beter. Het is niet van de ene dag op de andere gegaan, het heeft maanden geduurd. Maar in die maanden werd het wel steeds lichter. Ik vond vanuit die zwarte wanhoop mijn weg naar dat mooie, kostbare leven terug.

Kunstmatig gelukkig?

Ik ben nog steeds dezelfde persoon. Ik kan nog steeds problemen zien waar iemand anders niet eens op zou komen. Het grote, voor mij levensreddende verschil is dat ik mijn zorgen nu zelf aankan.
Ik ben geen zorgeloze, onverantwoordelijke persoon geworden zonder mijn angsten, zoals ik vroeger vreesde. Ik controleer het gas, maar gewoon in één keer, als ik het uitdraai (oké, soms twee keer, als ik een mindere dag heb). Waar mijn leven vroeger, zelfs in de gelukkigste perioden, vooral geleid werd door ‘moeten’ en ‘niet mogen’, kan ik nu de opties overwegen en zélf beslissen.
Ik, die vroeger zo anti ‘pillen tegen piekeren’ was, heb geleerd dat deze medicijnen mij niet ‘kunstmatig gelukkig’ maken. Ze maken me gezond.

De medicijnen hebben mijn leven letterlijk gered. Ook in meer figuurlijke zin zijn ze life savers geweest: ze stellen mij nu in staat om écht te leven, het leven te aanvaarden in al zijn schoonheid én met al zijn onzekerheden.
De medicijnen stonden natuurlijk niet alleen. Ik heb veel steun van mijn omgeving gehad en ook met medicijnen ben ik nog een tijd bij een psycholoog geweest, maar de medicatie was voor mij de bodem onder alle andere stappen naar herstel.

Als jij angsten of dwanggedachten hebt, win dan alsjeblieft goede, eerlijke informatie in over mogelijkheden voor vermindering van je klachten. Juist mijn dwangmatigheid maakte dat ik vond dat ik geen medicijnen ‘mocht’ omdat ik het zelf ‘moest’ doen. Het was mijn ziekte zélf die zich verzette tegen mijn herstel.
En als je ooit zó in het donker dwaalt als ik heb gedaan, houd vol. Houd hoop. Je bent niet alleen. En het wordt altijd weer licht. Altijd.

Photo credit: Jason Hargrove via Flickr (license)adaptation