Ik strijk het haartje tegen mijn bovenlip. Deze is goed! Dik, stevig en een goede zwarte punt. Voorzichtig voel ik hoe stevig het is en druk het uiteinde op mijn hand.

Ik rol het tussen mijn vingers. Met mijn tanden bijt ik het half door en splijt het perfect. Een tevreden gevoel trekt door mijn lijf. Rust in mijn hoofd.

De haar dwarrelt op de grond. Naast de bos die al op de kleine, witte tegeltjes ligt. Een berg lange bruine haren rondom de groene wc. Mijn vingers zijn op zoek naar een nieuwe haar. Dik, rond en een beetje kronkelig. Dat zijn de beste!

Spiegelbeeld

“Als ik je te pakken krijg!” Ik hoor de voetstappen richting de badkamer komen. Snel! De haren in de wc voordat mijn vader het ziet. Ik doe de deur van het slot. “Heb je weer haar uit je kop lopen trekken!”  Mijn oor suist van de klap die ik erop krijg. Verdorie, de haarband vergeten. Die ligt nog op de wasmand.

Mijn vader sleept mij naar de spiegel. Met tegenzin kijk ik. De rode kale plek waar een uur eerder mijn haren hebben gezeten, een rood oor en kale oogleden boven verdrietige, elfjarige ogen, staren mij aan.

Jarenlang

Van mijn negende tot mijn twintigste trok ik haren. Op veel jeugdfoto’s sta ik met wimper- en wenkbrauwloze ogen en draag ik grote, brede haarbanden op mijn zielige bosje haar.

Op een dag was het over. Mijn ouders hebben nooit een therapeut bezocht met mij. Mijn vader vond dat onzin. Niemand weet van mijn grote geheim. Op mijn man en familie na.

Inmiddels ben ik de 30 ruim gepasseerd. Alleen als ik mij heel rot voel dan trek ik er nog wel eens een haar uit. Maar niet vaak.

Photo credit: Wally Hartshorn via photopin (license)adaptation