Er wordt wel eens gesproken over “tikkende tijdbommen” in de samenleving: mensen waarvan het slechts een kwestie van tijd is voordat ze zullen “knappen” en iemand iets aan zullen doen. Nu ben ik het er niet mee eens om in zulke woorden over mensen te spreken, maar boosheid is toch niet hetgeen dat overheerst als ik zulke uitspraken hoor of lees. Ik vraag me dan direct af of de mensen die bedoeld worden, weten dat ze een tikkende tijdbom zijn, of dat ze zo ver heen zijn dat ze daar geen besef meer van hebben. En in dat laatste geval: hoe weet ik dan dat ik er zelf geen ben?

In gedachten stak ik mensen neer

Naast autisme heb ik vanaf mijn 11e last van depressies. Het begon bij mijn eerste depressie: in gedachten stak ik mijn klasgenootjes maar ook mijn ouders regelmatig neer. Deze gedachten beangstigden me en bevestigden voor mezelf dat ik een verschrikkelijk mens was. Ik ging scherpe voorwerpen voor de zekerheid uit de weg en vroeg me vooral af wat er in vredesnaam mis met me was. De angst dat ik gevaarlijk zou zijn of eens zou worden, begon ook toen.

Tegenwoordig hoef ik niet depressief meer te zijn om dergelijke nare gedachten te krijgen. Wat stress is genoeg om het duiveltje in me wakker te maken. Doordat ik de gedachten die ik dan krijg, niet meer los kan laten, duurt het vaak een hele tijd voor er weer een rustige periode aanbreekt.

Moeilijk om erover te praten

Ik heb er één keer over gesproken met mijn hulpverlener. Deze was vrij zeker dat ik het niet zou doen (anders had ze wel maatregelen genomen), maar benadrukte wel dat zulke gedachten niet normaal waren.
Zij is dat gesprek waarschijnlijk al lang vergeten, terwijl ik nog steeds met hetzelfde rondloop. Er weer over beginnen, durf ik eigenlijk niet: wat als ze toch besluit me op te sluiten voor de veiligheid? Maar aan de andere kant: zou ik dat niet moeten omarmen, als dat iedereen veilig houdt?

‘Waarschijnlijk niet’ lijkt niet genoeg

Op het moment gaan mijn gedachten vooral over kinderen; met name over mijn pasgeboren nichtje. Dat ik een weerloos kind wat aandoe, is zo’n beetje het ergste wat ik kan bedenken. Ik vind het moreel verwerpelijk dat ik deze dingen denk en probeer de gedachten dan ook uit mijn hoofd te weren, maar zonder succes.

Als er gezegd wordt dat het waarschijnlijk niet gaat regenen, durf ik wel de deur uit te gaan. Een bui op mijn kop is vervelend, maar niet meer dan dat. Maar dat ik waarschijnlijk geen kind kwaad doe, lijkt niet genoeg: daar kan ik toch geen risico mee nemen? Hierover heb ik zekerheid nodig.
Dat lijkt echter geen mens me te kunnen geven, want hoe kun je absoluut zeker zijn dat ik nooit de controle over mezelf zal verliezen en toch mijn gedachten in daden om zal zetten? Ik kan me wel voorstellen dat dat kan gebeuren. Vooral als ik overprikkeld raak (door mijn autisme) ben ik niet geheel mezelf meer en is het risico om controle te verliezen altijd aanwezig.

Soms dwing ik mezelf er toch aan te denken; om te onderzoeken hoe ik me erbij voel. Is het alleen maar afschuw en angst, of zit er toch wat plezier of genoegen in? Zo probeer ik wat controle te hebben over een voor mijn gevoel onbeheersbaar iets.

Photo credit: permanently scatterbrained looking down a long hallway via photopin (license)adaptation