De kans dat iemand een dwangstoornis heeft, is in de hele bevolking 1-2 %. Bij mensen waarbij dwang voorkomt in de familie, is die kans hoger.
Mensen met een dwangstoornis hebben een kans van 15 % dat een eerstegraads familielid (broer, zus, kind, ouder) ook een dwangstoornis heeft. 

Als je zelf een dwangstoornis hebt, is de kans dat je kind dat ook krijgt verhoogd, als je het vergelijkt met de 1-2 % in de hele bevolking. Maar nog altijd is de kans dat je kind geen dwangstoornis heeft, veel groter dan dat hij dat wel heeft. Hoe groot die kans precies is, is niet helemaal te zeggen maar in elk geval dus niet hoger dan de 15 % kans, die mensen hebben op een eerstegraads familielid met een dwangstoornis.

Bovenstaande zijn algemene cijfers. De erfelijkheid bij dwangstoornissen die vroeg, voor het 14e jaar beginnen, ligt wellicht wat hoger maar er is niet bekend hoeveel precies.

Het is nog wel belangrijk een opmerking te maken over erfelijkheid en de angst om door de opvoeding dwangproblemen mee te geven.
Over het algemeen lijkt opvoeding geen grote bijdrage te leveren aan het al dan niet voorkomen van OCD. Het feit dat meerdere kinderen uit één gezin dwangklachten kunnen hebben, lijkt voor het allergrootste deel toe te schrijven aan erfelijkheid. Dat is door studies naar één- en twee-eiige tweelingen, studies over adoptiekinderen en studies naar familiair voorkomen van dwangstoornissen naar voren gekomen. Maar dit zijn altijd gemiddelden over een groep natuurlijk.

Iets anders is of het hebben van een ouder met een dwangstoornis voor kinderen een belasting is. Het is moeilijk te zeggen wat dat voor gevolgen zou hebben, niet zozeer wat betreft het optreden van een dwangstoornis maar meer in algemene zin. Sommige mensen zijn zo ernstig getroffen door een psychische aandoening, dat het reëel en dapper is dat ze zich afvragen of dat met ouderschap te verenigen valt. Dat zijn hele beslissingen, waarbij je altijd respectvol moet zijn tegenover de keuze waartoe iemand uiteindelijk komt.