Kort geleden was ik bij een bijeenkomst die ging over een respectvolle, niet stigmatiserende benadering van mensen met psychische problematiek.
Waar ik van schrok waren alle negatieve ervaringen die mensen hadden met de reguliere geestelijke gezondheidszorg. Zo vertelde een moeder dat ze het zo vernederend vond dat haar 21-jarige zoon ‘vrijheden moest verdienen, alsof het een gevangenis is’. En hoe schrijnend het was dat hij na een overplaatsing naar een nieuwe afdeling de hele middag volledig aan zijn lot overgelaten was.

Het systeem

Ik erken onmiddellijk dat er in de GGZ dingen gebeuren waar we niet trots op kunnen zijn. Maar op een gegeven moment vond ik de sfeer wel erg negatief.
“Ik herken veel medewerkers in de GGZ hier toch niet in”, merkte ik op. “En ik geloof niet dat al die mensen dit beroep gekozen hebben met de intentie om anderen te vernederen.” Dat laatste werd onmiddellijk beaamd. Het lag zeker niet aan de mensen die in de GGZ gingen werken, maar ze werden zo door het systeem.

Nu kan ik niks met algemeenheden als ‘het systeem’. Uiteindelijk kan een ‘systeem’ alleen maar bestaan en ook alleen maar veranderen door wat mensen doen. Wát zouden we dan anders moeten doen?

Polariteit

Ik moest denken aan het boek Macht als gevaar van Adolf Guggenbühl-Craig, waarin wordt beschreven wanneer relaties ongelijkwaardig worden: als we als ouder vergeten dat we ook kind zijn geweest, als we als leidinggevende vergeten dat we ook ondergeschikte hadden kunnen zijn en als we als hulpverlener vergeten dat we ook hulpvrager hadden kunnen zijn.

Mensen moeten zich blijven realiseren dat ze ook de andere rol hadden kunnen hebben. Als we niet beseffen dat we beide rollen hadden kunnen hebben dan kan een relatie gepolariseerd raken. Dan worden kinderen vervelende klieren, die nooit doen wat je zegt, ouders betuttelaars, van wie nooit iets mag, leidinggevenden arrogante hufters, die nooit luisteren, en ondergeschikten zeurpieten, die nooit tevreden zijn.

Juist als je in de relatie meer macht hebt, moet je extra kritisch zijn over je eigen overwegingen. Makkelijk is het niet om je steeds te verplaatsen in de ander. Om steeds te denken: hoe zou ik dit gevonden hebben als ik niet hulpgever, maar hulpvrager geweest was. Dat vraagt wel wat van je.

Moeite

Ooit kwam ik voor een consult op de chirurgische afdeling bij een meisje van 18 jaar, dat onder invloed van stemmen die ze hoorde, uit het raam gesprongen was. Ik begon vriendelijk, maar ze begon me direct na te bauwen. Wat ik ook probeerde, ze bleef vijandig en afwerend.
Ik was in alle opzichten in het voordeel. Ik was de dokter. Het was evident dat zij een probleem had en niet ik. Ik was ouder, ik was bekend op de afdeling en ik werd niet gekweld door psychotische belevingen.
En toch kostte het me moeite om in de nabespreking met de chirurg, die haar ook niet makkelijk vond, niet oordelend over haar te spreken maar met compassie, wat ze natuurlijk verdiende.

Maar dat het moeilijk is, is geen reden het niet na te streven. Het besef van die polariteit in jezelf – ik ben nu de dokter, maar ik had de patiënt kunnen zijn – is de beste manier voor een werkelijk gelijkwaardige relatie.

Photo credit: johnhain via Pixabay (license) – adaptation

Gepubliceerd op Medisch Contact op 22 september 2014.